Recente rechtspraak
Executeur hoefde langstlevende partner niet te wijzen op verzorgingsvruchtgebruik, Rechtbank Rotterdam, uitspraak 18 januari 2012
De echtgenoot van V is overleden. Bij testament zijn de kinderen van de erflater uit eerdere relaties benoemd tot erfgenamen. Aan V is uitsluitend een bedrag van € 400.000 gelegateerd. Thans heeft V de executeur aansprakelijk gesteld omdat V niet binnen de vervaltermijn van zes maanden als gesteld in artikel 4:31 lid 2 BW is gewezen op de mogelijkheid om op de voet van artikel 4:29 BW een vruchtgebruik op de woning en inboedel van de erflater te vestigen. Volgens V had de executeur een meldingsplicht toen hij van de notaris dit recht vernam.
De Rechtbank oordeelt dat op de executeur geen verplichting rustte om V te informeren over haar rechten tot het vestigen van een vruchtgebruik op de woning of andere goederen. De executeur heeft de plicht eventuele testamentaire lasten uit voeren, de goederen der nalatenschap te beheren en de schulden daarvan te voldoen. Het behoort niet tot de taak van de executeur de individuele belangen van nabestaanden te behartigen. De door V gestelde omstandigheden, wat daar ook van zij, maken dat niet anders. Dat geldt ook voor een goede familieband tussen partijen. Dat V door de executeur is misleid, is niet gebleken.
Rb. Rotterdam 18 januari 2012, nr 367634 / HA ZA 10-3465 (LJN BV3604)
Bron: Notamail 17 februari 2012
Volgens Rechtbank was notaris niet aansprakelijk voor tekstuele fout in testament, Rechtbank Amsterdam, uitspraak 7 december 2011
Erflaatster is in 2008 overleden. Bij testament is een stichting benoemd tot enig erfgenaam. Verder is aan de executeur gelegateerd: “mijn gehele inboedel […]. Aan dit legaat wordt de last verbonden vorenbedoelde inboedel en zaken zo goed mogelijk te verdelen onder mijn familie, zijnde mijn bloedverwanten tot de vierde graad […]”. Ten tijde van het opstellen van het testament had erflaatster geen levende familieleden tot en met de derde graad. X c.s. zijn bloedverwanten in de vierde graad van erflaatster. In tegenstelling tot de stichting en de executeur zijn X c.s. van mening dat het testament zodanig moet worden uitgelegd dat onder de tekst “tot de vierde graad” moet worden verstaan “tot en met de vierde graad”. Verder vorderen X c.s. schadevergoeding van de notaris die het testament heeft opgesteld omdat zij door een beroepsfout van de notaris kosten hebben gemaakt voor juridisch advies.
Volgens de Rechtbank vloeit uit artikel 4:46 BW voort dat bij de bepaling van de inhoud van een testament steeds sprake zal zijn van uitleg en dat een zuiver taalkundige uitleg van de in het testament gebruikte bewoordingen niet volstaat. Niet bestreden is dat erflaatster ten tijde van het opstellen van het testament ervan op de hoogte was dat zij geen familieleden meer had tot en met de derde graad en dat X c.s. destijds de dichtstbijzijnde familie waren. In dat licht dient de letterlijke tekst van het testament geen redelijk doel. Immers, het toedelen van goederen aan familieleden die niet meer bestaan behelst geen redelijk doel, althans door de executeur en de stichting zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit een dergelijk doel kan worden afgeleid. De Rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling dat erflaatster alles aan de stichting als erfgenaam had willen doen toekomen, maar dat zij er bewust voor heeft gekozen het testament op deze wijze te formuleren om te voorkomen dat zij X c.s. voor het hoofd zou stoten, temeer nu erflaatster wel haar onroerende zaken aan de executeur heeft gelegateerd en ten aanzien daarvan niets aan X c.s. heeft nagelaten. Dit betekent dat de uitleg van X c.s. wordt gevolgd. Wat betreft de gevorderde schadevergoeding bestrijdt de notaris dat hij een beroepsfout heeft gemaakt omdat hij het testament met erflaatster heeft besproken en aan haar uitleg heeft gegeven over de betekenis van eerste-, tweede-, derde- en vierdegraadsfamilielid. De erflaatster is toen bewust akkoord gegaan met de onderhavige tekst van het testament. De Rechtbank is met de notaris van oordeel dat het enkele feit dat de onderhavige tekst van het testament anders moet worden uitgelegd dan de letterlijke tekst, niet vanzelfsprekend betekent dat hem rechtens een verwijt is te maken. Daarvoor zijn ten minste nadere concrete aanwijzingen nodig die duiden op onrechtmatig handelen van de notaris. De Rechtbank leidt uit de door de notaris gevolgde werkwijze af dat hij zich voldoende ervan heeft vergewist dat de wil van erflaatster overeenstemde met het testament. Dat erflaatster wellicht het verschil tussen ‘tot’ en ‘tot en met’ zich onvoldoende heeft gerealiseerd, kan niet aan de notaris worden toegerekend. De zorgplicht van een notaris strekt in het algemeen niet zover dat het op zijn weg ligt om te onderzoeken of er daadwerkelijk nog levende familieleden tot in de derde graad bestaan. Dat erflaatster hoogbejaard was, maakt dit niet anders en andere omstandigheden waaruit een verdergaande onderzoeksplicht volgt, zijn niet gebleken.
Bron: Notamail 9 februari 2012
Boedelgemachtigde moet rekening en verantwoording afleggen over nalatenschap, Rechtbank Maastricht, uitspraak 30 november 2011
X en Y zijn gerechtigd tot een nalatenschap. In 2006 is X gevolmachtigd om Y te vertegenwoordigen bij de afwikkeling van de nalatenschap. Thans is Y een procedure tegen X gestart waarin onder meer rekening en verantwoording met betrekking tot de afwikkeling van de nalatenschap wordt gevorderd “onder het overleggen van de justificatoire bescheiden”.
Volgens de Rechtbank volgt uit artikel 3:173 BW dat ieder der deelgenoten rekening en verantwoording kan vorderen van de deelgenoot die voor de anderen beheer heeft gevoerd. De volmacht die aan X is verstrekt is in de verklaring van erfrecht nader gespecificeerd in die zin dat X zelfstandig bevoegd is om te beschikken over de nalatenschap. Aan deze beschikkingsbevoegdheid heeft X uitvoering gegeven door een woning van de erflater te vervreemden. Volgens de Rechtbank is artikel 3:173 BW strikt genomen niet van toepassing omdat deze bepaling slechts ziet op beheer en niet (tevens) op beschikkingshandelingen. Beschikken over een goed is echter een verdergaande bevoegdheid dan het beheer erover. Nu bij beheer reeds rekening en verantwoording moet worden afgelegd ingevolge artikel 3:173 BW en X mede in zijn positie als gevolmachtigde van Y als enige de beschikking had over alle relevante bescheiden, nodig om de omvang van de nalatenschap te kunnen vaststellen, mag van X worden verlangd dat hij zich, gelet op hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, omtrent de behoorlijkheid van het door hem gevoerde vermogensrechtelijke beleid rechtvaardigt. Met het door Y gevorderde overleggen van de justificatoire bescheiden dient X volgens de jurisprudentie alles te verantwoorden, dat wil zeggen dat X inzicht moet geven in de terzake dienende ontvangsten en uitgaven op de rekening(en) van de erflater met een behoorlijke verantwoording. Hiervoor is, behalve dat dit schriftelijk moet geschieden, geen bepaalde vorm voorgeschreven, hoewel de rekening overzichtelijk en behoorlijk gespecificeerd moet zijn eventueel voorzien van bescheiden c.q. rekeningafschriften ter ondersteuning van de op de rekening vermelde posten.
Bron: Notamail 27 januari 2012
Hof wijst vordering van kind tot inzage van medisch dossier van erflater af, Gerechtshof Arnhem, uitspraak 10 januari 2012
Kort vóór zijn overlijden heeft de vader van X een testament opgesteld waarbij de dochters van zijn buren zijn benoemd tot enig erfgenaam. Naar aanleiding hiervan is X een kort geding gestart waarin hij inzage in het medisch en verpleegkundig dossier van zijn vader vordert omdat X stelt dat vader niet meer wilsbekwaam was bij het opstellen van het testament.
In hoger beroep overweegt het Hof onder meer dat niet aannemelijk is geworden dat vader toestemming zou hebben gegeven zijn medisch dossier ter inzage te geven aan X met wie hij al minstens 5 jaar geen enkel contact meer had. Volgens het Hof zou een inbreuk op de geheimhoudingsplicht voor hulpverleners als bedoeld in artikel 7:457 BW kunnen worden gemaakt indien vast komt te staan dat vader ten tijde van het opstellen van het testament niet meer wilsbekwaam was en bovendien zou komen vast te staan dat X zonder dit testament aanspraak zou hebben op (een groter deel van) de nalatenschap van zijn vader. Verder is van belang in hoeverre de door X gewenste informatie langs een andere weg te verkrijgen is. Terzijde merkt het Hof op dat het beroep van X op het notariële tuchtrecht - dat wil zeggen: de beantwoording van de vraag of de betreffende notaris verwijtbaar heeft gehandeld – op zichzelf geen voldoende zwaarwegend belang voor X creëert bij toewijzing van zijn vordering. Uit een brief van de notaris die het testament heeft gepasseerd blijkt dat hij aan de hand van een aantal omstandigheden zich ervan heeft overtuigd dat vader compos mentis was zodat de notaris naar zijn zeggen geen reden had te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van vader. Deze weergave wordt bevestigd door de voorganger van de notaris die bij de ondertekening van het testament aanwezig was en die ook in een eerdere bespreking met vader vernam hoe de gewenste inhoud van het testament zou moeten luiden. Dat deze oud-notaris bekend was met de buren van vader en dat de oud-notaris op hun verzoek in contact kwam met vader impliceert op zichzelf niet dat aan de juistheid van de verklaring van de oud-notaris moet worden getwijfeld. Dat eventuele twijfel over de onafhankelijkheid van de oud-notaris ook de geloofwaardigheid van de brief van de passerend notaris aantast, kan in het verlengde daarvan al helemaal niet worden gebaseerd op het enkele gegeven dat hij de opvolger van de oud-notaris is. Ook het tuchtrechtelijke belang dat de notaris en oud-notaris erbij hebben dat voldoende geverifieerd is dat vader wilsbekwaam was, kan bepaald niet gelden als concrete aanwijzing dat hetgeen de notaris in voormelde brief heeft verklaard, onwaar is. Immers, voor alle ambtsverrichtingen van een notaris geldt dat hij er belang bij heeft dat ook achteraf komt vast te staan dat hij zijn (zorg)plichten is nagekomen. De aanwezigheid van dit belang is echter geen concrete aanwijzing dat hetgeen een notaris verklaart omtrent de wijze waarop hij zijn taak heeft vervuld, onjuist zal zijn. Gelet op de omstandigheden dat het in het algemeen juist tot de taak van een notaris behoort erop toe te zien dat een in een akte weergegeven wil overeenstemt met de werkelijkheid en dat de notaris in casu heeft verklaard daarop ook uitdrukkelijk te hebben toegezien, moet de inhoud van voormelde brief gezien worden als een sterke aanwijzing dat er juist geen zwaarwegend belang wordt geschaad als de geheimhoudingsplicht van de hulpverlener niet wordt doorbroken. Om dat verder niet aannemelijk is geworden dat vader wilsonbekwaam was, wordt X’s vordering afgewezen.
Bron: Notamail 18 januari 2012
Volgens Rechtbank had erfgenaam nalatenschap van erflater zuiver aanvaard, Rechtbank Amsterdam, uitspraak 12 oktober 2011
Eiser vordert dat gedaagde, als erfgename, de kosten van de uitvaart van erflater betaald. Gedaagde stelt daartoe niet gehouden te zijn, omdat zij de nalatenschap van erflater verworpen heeft. (Stilzwijgende) aanvaarding in de zin van artikel 4:192 BW kan slechts dan aan de orde zijn indien gedaagde zich als een erfgenaam heeft gedragen. In dit verband stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat gedaagde zich uit eigener beweging tot eiser heeft gewend om de zich bij eiser bevindende resterende spullen van erflater af te halen. Voorts stelt de rechtbank vast dat gedaagde zich uit eigener beweging tot de ING Bank heeft gewend om nadere informatie met betrekking tot de rekening van erflater te verkrijgen en dat zij na het verkrijgen van deze informatie de bank heeft bericht geen erfgenaam te zijn, zoals door haar ter zitting uiteengezet. De rechtbank kan bij gebreke van enige toelichting van de zijde van gedaagde deze gedragingen niet rijmen met haar ter zitting gegeven verklaring dat zij in geen geval iets uit de nalatenschap van erflater wenste te hebben. Daar komt bij dat gedaagde aanvankelijk heeft betwist spullen bij eiser op voornoemde datum afgehaald te hebben. Ter zitting heeft gedaagde evenwel erkend dat zij vergezeld van haar zuster bij eiser is langsgegaan om enkele spullen op te halen en dat het wel haar handtekening betreft die onder verklaring is gezet. Zij heeft aldus over zaken van erflater beschikt. De rechtbank is van oordeel dat voormelde gedragingen in hun volgorde en samenhang bezien en bij gebreke van enig voorbehoud van de zijde van gedaagde, de conclusie rechtvaardigen dat gedaagde zich daarmee ondubbelzinnig als erfgenaam heeft gedragen en dat daaruit blijkt van de wil tot zuivere aanvaarding van de nalatenschap.
Bron: LJN BU3549, Rechtbank Amsterdam , 487552 / HA ZA 11-1086
Hoge Raad 9 december 2011
Volgens Hoge Raad moet papieren schenking door notaris worden opgesteld
De moeder van X heeft vóór 1 januari 2003 bij onderhandse akten diverse bedragen uit vrijgevigheid schuldig erkend aan X. Volgens de akten zijn de bedragen niet opeisbaar tijdens het leven van moeder en is over de schuldigerkende bedragen 5% rente per jaar verschuldigd. Naar aanleiding van het overlijden van moeder in 2006 stelt de inspecteur dat de onderhandse schuldigerkenningen niet als schuld aftrekbaar zijn in de nalatenschap van moeder omdat deze niet zijn opgenomen in een notariële akte hetgeen sinds 1 januari 2003 volgens artikel 7:177 BW is vereist bij schenkingen die na het overlijden van de schenker worden uitgevoerd. X betwist dat de onderhavige schenkingen niet zijn uitgevoerd tijdens het leven van moeder. Volgens X is zij met haar moeder overeengekomen dat X de schenkingen onmiddellijk terug leent aan moeder in de vorm van een direct-opeisbare lening waarover rente wordt vergoed.
Het Hof heeft de inspecteur in het gelijk gesteld. Naar het oordeel van het Hof heeft X niet aannemelijk gemaakt dat de schenkingen zijn uitbetaald met een onmiddellijke teruglening in de vorm van een direct-opeisbare vordering zodat X niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schenkingen tijdens het leven van moeder zijn uitgevoerd. Volgens het Hof betekent dit dat de schenkingen bij het overlijden van moeder zijn vervallen krachtens artikel 7:177 BW.
Thans heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van X verworpen met de volgende motivering. Ingevolge artikel 7:177 lid 1 BW vervalt een schenking met het overlijden van de schenker voor zover zij de strekking heeft pas na het overlijden van de schenker te worden uitgevoerd en zij niet reeds tijdens het leven van de schenker is uitgevoerd, tenzij de schenking door de schenker persoonlijk is aangegaan en van de schenking een notariële akte is opgemaakt. Met het begrip "uitgevoerd" in deze bepaling wordt gedoeld op de (feitelijke) nakoming van de verbintenis die uit de schenkingsovereenkomst voortvloeit. De door moeder bij de onderhandse akten schuldigerkende bedragen waren pas opeisbaar bij haar overlijden. Het Hof heeft hieraan kennelijk en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot artikel 7:177 BW, terecht de gevolgtrekking verbonden dat de bij de onderhandse akten gedane schenkingen de strekking hadden pas na het leven van moeder te worden uitgevoerd. Hieraan doet niet af dat rente over de schuldigerkende bedragen is bedongen, ook niet indien die rente bij leven van de moeder is betaald. Ook het oordeel van het Hof dat de schenkingen niet bij leven van erflaatster zijn uitgevoerd, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het voor het overige als verweven met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Dit oordeel is voorts niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Voor zover de klachten van X opkomen tegen dit oordeel en eerdergenoemde gevolgtrekking van het Hof kunnen zij derhalve niet tot cassatie leiden.
Bron: Notamail 12 december 2011
Rechtbank Middelburg 5 oktober 2011
Wie erft er als een moordende erfgenaam vóór zijn veroordeling overlijdt?
V is in 2009 door haar echtgenoot (M) vermoord. Vóór aanvang van het strafproces heeft M echter zelfmoord gepleegd. Thans is voor de Rechtbank in geschil wie gerechtigd is tot de nalatenschap van V. Omdat V geen testament had, zou M op grond van het wettelijke erfrecht de nalatenschap van V hebben geërfd omdat hij eerst na een strafrechtelijke veroordeling onwaardig is om te erven (artikel 4:3 BW). De kinderen die M uit een andere relatie had, zijn van mening dat zij thans als erfgenamen van M zijn gerechtigd tot de nalatenschap van V. De broer en zus van V stellen dat zij de nalatenschap van V hebben geërfd omdat een ander resultaat in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en het algemene rechtsbeginsel dat men geen voordeel behoort te hebben van de opzettelijk veroorzaakte dood van een ander.
De Rechtbank overweegt dat onder omstandigheden het erven door een erfgenaam zo stuitend kan zijn dat het onaanvaardbaar is voor het rechtsgevoel om hem als erfgenaam toe te laten. De Rechtbank is van oordeel dat zich in casu een dergelijke situatie voordoet. Aan de hand van de inhoud van de gedeponeerde processen-verbaal staat voldoende vast dat V opzettelijk van het leven is beroofd door M. Hierdoor heeft M jegens V op dusdanige wijze gehandeld dat het voor het rechtsgevoel onaanvaardbaar is om hem als haar erfgenaam toe te laten. Ook in het licht van voornoemd rechtsbeginsel dat men geen voordeel behoort te hebben van de opzettelijk veroorzaakte dood van een ander, zou het uitoefenen van zijn rechten als erfgenaam bij versterf door M onder de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een onaanvaardbaar resultaat opleveren. Dat M inmiddels zelf niet meer leeft, doet niets af aan de conclusie dat een voor het rechtsgevoel onaanvaardbare situatie het gevolg is van de toepassing van het wettelijke erfrecht in casu.
Bron: Notamail 9 december 2011
Voorzieningenrechter Rechtbank Amsterdam 25 november 2011
Gevolmachtigde had zich de belangen van de executeur moeten aantrekken
Het gaat om een nalatenschap waarbij X is benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Tot de nalatenschap behoorden onder meer kostbare schilderijen. Een van de erfgenamen (Y) is een procedure gestart om X te ontslaan als executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Tijdens de zitting is een regeling getroffen waarbij X aan Y een volmacht heeft verleend om de schilderijen te verkopen voor minimaal € 650.000. Enige tijd later deelt Y aan X mede dat hij de schilderijen voor € 650.000 heeft verkocht welk bedrag is bijgeschreven op een derdengeldrekening van een notaris. Y weigert echter de identiteit van de koper bekend te maken. Hierdoor is X bevreesd dat Y de schilderijen aan zichzelf heeft verkocht met de bedoeling deze tegen een hoger bedrag door te verkopen aan een derde. In verband hiermee vordert X in kort geding onder meer dat Y de originele koopovereenkomst aan X verstrekt. X vordert ook dat Y de notaris instrueert om de koopprijs over te maken naar de ervenrekening omdat Y dit tevens heeft geweigerd.
De voorzieningenrechter overweegt dat X door aan Y de onderhavige volmacht te verstrekken de bevoegdheden die haar ingevolge het testament als executeur zijn toebedeeld voor wat betreft het verkopen van de schilderijen aan Y uit handen heeft gegeven. Een redelijke uitleg van de gemaakte afspraken brengt met zich dat met deze overdracht van rechten ook een aantal verantwoordelijkheden op Y zijn komen te rusten. X heeft als executeur het recht de tot de nalatenschap behorende goederen zonder instemming van de andere erven naar eigen inzicht te verkopen. Dit recht brengt met zich dat X zich van deze taak op een eerlijke en verantwoordelijke manier dient te kwijten, hetgeen impliceert dat X voor de te verkopen goederen een redelijke prijs moet verkrijgen en de opbrengst overeenkomstig het bepaalde in het testament over de erven dient te verdelen. Over haar handelen dient X aan de erven (jaarlijks) rekening en verantwoording af te leggen. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient Y zich de belangen van X als executeur van de nalatenschap aan te trekken. Dit betekent dat hij aan X desverzocht de inlichtingen moet verstrekken die X nodig heeft om haar taak als executeur naar behoren te kunnen uitoefenen. Daarnaast hebben ook de overige erven een belang bij de verkoop van de schilderijen. Niet alleen komt aan hen een deel van de opbrengst toe, zij hebben ook een immaterieel belang om te weten aan wie hun familiestukken zijn verkocht. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen voor Y, optredend als vertegenwoordiger van de erven, mee dat hij ook deze belangen in ogenschouw moet nemen. Hij dient derhalve aan X en de overige erfgenamen de identiteit van de koper bekend te maken door overlegging van de originele koopovereenkomst. Mocht blijken dat Y de schilderijen aan zichzelf heeft verkocht met als doel deze vervolgens voor een hoger bedrag door te verkopen aan een derde, dan handelt hij onrechtmatig jegens de executeur en de erfgenamen. Verder moet Y de notaris instrueren de koopprijs naar de ervenrekening over te maken omdat de volmacht in alle redelijkheid niet aldus kan worden uitgelegd dat Y naast de verkoop bevoegd was de schilderijen te leveren en de koopprijs te innen. Ook in dat geval zou Y zonder afwijkende afspraak de koopprijs moeten storten op de ervenrekening.
Bron: Notamail 1 december 2011
Hoge Raad 25 november 2011
Voor bepaling van ANBI-status moet ook worden gekeken naar de toekomst
Op 21 juli 2010 deed het Hof Den Haag uitspraak in de kwestie waarin twee echtgenoten een stichting hadden opgericht. Volgens de statuten beoogt de stichting een algemeen nut. Toen de eerste echtgenoot in 2004 overleed, werd de nalatenschap verkregen door de stichting onder de last van het vruchtgebruik van de nalatenschap ten gunste van de langstlevende echtgenote. Bij de boedelafwikkeling werden alle goederen
van de ontbonden huwelijksgemeenschap aan de langstlevende toegedeeld en verkreeg de stichting een renteloze niet-opeisbare geldvordering op de langstlevende. In tegenstelling tot de Rechtbank oordeelde het Hof dat de stichting ten tijde van het overlijden van de eerste echtgenoot niet kon worden aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling zodat zij over de nalatenschap successierecht is verschuldigd naar het tarief voor derden. Volgens het Hof was het de bedoeling dat de stichting pas na het overlijden van de langstlevende echtgenote algemeen nut beogende werkzaamheden zou verrichten en kan de stichting tot dat moment niet worden aangemerkt als een algemeen nut beogende instelling.
Thans heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Hof vernietigd. Volgens de Hoge Raad is niet in geschil dat het statutaire doel van de stichting is gericht op het dienen van het algemeen nut. De stichting wenst specifiek ter gelegenheid van de onderhavige verkrijging te worden aangemerkt als een ANBI, maar heeft op het moment van die verkrijging nog geen feitelijke handelingen kunnen verrichten en zal daartoe wellicht ook niet de mogelijkheid hebben zolang haar verkrijging is belast met het recht van vruchtgebruik (in casu: zolang de vordering wegens onderbedeling niet opeisbaar is). In zo’n geval moet worden beoordeeld of op het moment van de verkrijging de verwachting gerechtvaardigd is dat daadwerkelijk conform het statutaire doel zal worden gehandeld. Hierbij kunnen alle omstandigheden van het concrete geval een rol spelen. De Hoge Raad verwijst de zaak naar een ander Hof voor een nieuw onderzoek aan de hand van de hiervoor gegeven maatstaf. De Hoge Raad merkt op dat ook feiten of omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de verkrijging licht kunnen werpen op de gerechtvaardigdheid van de bedoelde verwachting op het moment van die verkrijging.
Bron: Notamail 28 november 2011
Hoge Raad 28 oktober 2011
Mag de BTW die bij de verkoper zou zijn herzien, worden nageheven bij de koper?
V heeft in het jaar 2000 een onroerende zaak overgedragen aan K. Hierbij is op de voet van artikel 11.1.a.2 Wet OB geopteerd voor een BTW-belaste levering. Later ontdekt de inspecteur dat K de onroerende zaak niet gebruikt voor BTW-belaste prestaties en heeft hij op grond van artikel 12a Wet OB aan K een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Het betreft de omzetbelasting die bij V zou zijn herzien (V had de onroerende zaak met BTW verworven) als de levering aan K zonder heffing van omzetbelasting had plaatsgevonden. Het Hof heeft de naheffingsaanslag vernietigd omdat het van oordeel is dat de tekst van artikel 12a Wet OB niet de mogelijkheid biedt om de herzienings-BTW na te heffen (FBN 2009, nr 56). Thans heeft de Hoge Raad geoordeeld dat blijkens de parlementaire geschiedenis van artikel 12a Wet OB de wetgever een heffingsregeling in het leven heeft willen roepen die in het bijzonder betrekking heeft op het bedrag aan omzetbelasting waarvoor de verkoper aftrek heeft genoten en welk bedrag krachtens de artikelen 13 en 13a Uitvoeringsbeschikking OB moet worden herzien.
nr 09/02222, LJN BN9662
Hoge Raad 21 november 2008
De executeur is belast met het beheer van de goederen van de nalatenschap. Tijdens zijn beheer kan de waarde van de goederen van de nalatenschap dalen. In zijn uitspraak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de execteur niet zonder meer het risico van waardedaling van bepaalde goederen draagt. Voor aansprajkelijkheid moet sprake zijn van onrechtmatig handelen door de executeur.
LJN BD5985
Rechtbank Zutphen 2 augustus 2009
Executeur betaalt uitkering levensverzekering aan verkeerde persoon
Op 22 september 2002 overlijdt erflater R. R is gehuwd geweest met Z. Dit huwelijk is op 1 mei 1992 door echtscheiding ontbonden. R heeft geen kinderen nagelaten.
R heeft bij testament van 21 februari 1994 over zijn nalatenschap beschikt. Dit testament luidt, voor zover relevant:
"B. Indien ik ongehuwd kom te overlijden en geen nakomelingen achterlaat, legateer ik, af te geven binnen zes maanden na mijn overlijden:
(...)
C. aan de navolgende personen, tezamen en voor gelijke delen:
- mijn contanten;
- mijn ten tijde van mijn overlijden opeisbare schuldvorderingen;
- mijn bank- en girotegoeden,
D. Onder bezwaar van de sub B en C vermelde legaten benoem ik tot mijn erfgenaam: mijn moeder.
F. Ik benoem Y belastingadviseur, tot uitvoerder van mijn uiterste wilsbeschikkingen en belast hem met de verzorging van mijn crematie, met het recht alle goederen die tot mijn nalatenschap behoren, in bezit te nemen, zolang als voor de vereffening zal zijn vereist."
Bij verklaring van executele van 16 mei 2003 heeft Y zijn benoeming tot executeur testamentair aanvaard. Tot de nalatenschap van Z behoren twee beleggingspolissen met een overlijdensrisico dekking. Bij beide polissen heeft de erflater zichzelf als begunstigde aangewezen bij afloop van de verzekering. Voor het geval Z gedurende de looptijd zou overlijden, is op de polis als begunstigde aangewezen zijn echtgenote en, bij ontstentenis van zijn echtgenote, zijn kinderen.
De executeur is van mening dat de verzekeringspolissen niet tot de banksaldi op sterfdag moeten worden gerekend en niet als een opeisbare schuld ten tijde van het overlijden van erflater kunnen worden aangemerkt zodat de uitkering niet toekomt aan de legatarissen maar aan de erfgenaam. Het bedrag van de verzekeringsuitkeringen van circa € 20.000 is omstreeks mei/juni 2004 op de bankrekening van de moeder overgemaakt. Moeder maakt het geld van de uitkeringen op en overlijdt op 20 september 2008.
De legatarissen zijn van mening dat de verzekeringsuitkeringen wel tot de gelegateerde schuldvorderingen behoorden en zij stellen dat de executeur deze bedragen onder zich had moeten houden in afwachting van een rechterlijk oordeel over de vraag wie rechthebbende was op de uitkeringen uit de polissen. Door desondanks uit te keren aan de moeder nam hij bewust het risico dat de gelden aan het verhaal van zouden worden onttrokken nu moeder alles heeft opgemaakt en haar boedel geen verhaal biedt. Y stelt dat hij als executeur testamentair zorgvuldig heeft gehandeld. Omdat ten tijde van het overlijden van erflater zowel een echtgenote als kinderen ontbraken, vielen de uitkeringen van de twee polissen direct in de nalatenschap. Bovendien is de vordering op de verzekeraar eerst door het overlijden van de erflater ontstaan. Daardoor was die vordering geen vordering van erflater en was die vordering ten tijde van zijn overlijden niet opeisbaar. Daarom kwamen die uitkeringen toe aan de moeder als erfgenaam van erflater en niet aan de legatarissen.
Volgens de rechtbank staat vast dat de in de polissen aangewezen ‘begunstigden’ bij overlijden, namelijk een echtgenote en kinderen van erflater, ten tijde van het overlijden niet bestonden. Die begunstiging heeft daarom geen gevolg gekregen, waardoor de polis een zogenaamde blanco polis is geworden.
Op grond van artikel 7: 967 lid 8 Burgerlijk Wetboek( hierna: BW) wordt in dat geval de verzekeringnemer, zijnde erflater, geacht zichzelf als begunstigde te hebben aangewezen.
Na aanwijzing van een derde als begunstigde kan deze derde door aanvaarding een recht op uitkering verkrijgen. Als er echter geen aanwijzing plaatsvindt, of aan de aanwijzing (of aanwijzingen) geen gevolg toekomt, dient de uitkering toe te komen aan de verzekeringnemer.
Het voorgaande betekent dat de erflater een voorwaardelijk recht had op de verzekeringsuitkering, dat onvoorwaardelijk is geworden omdat bij zijn overlijden de begunstiging van zijn echtgenote en kinderen geen gevolg had. De stelling van Y dat de vordering op de verzekeraar eerst door het overlijden van de erflater is ontstaan en daardoor geen vordering van erflater was, kan daarom niet worden gevolgd. De vraag is nu of dit, eerst voorwaardelijke en later onvoorwaardelijke, recht opeisbaar was ten tijde van het overlijden van de erflater. Als het recht opeisbaar was, is het door erflater bij testament gelegateerd. Als het niet opeisbaar was, is het in de nalatenschap van erflater gevallen, waardoor het recht is geërfd door de moeder. Het gaat er in dit geval om welke uitleg gegeven moet worden aan de woorden “ten tijde van mijn overlijden” in het testament van erflater.
Naar het oordeel van de rechtbank duiden de woorden ‘ten tijde van’ niet op een moment maar op een tijdspanne waarin zich iets afspeelt. ‘Ten tijde van de geboorte’ slaat bijvoorbeeld niet alleen op het moment van de geboorte, maar ook op een korte tijd ervoor en erna. Dat geldt ook bij overlijden.
Aangezien het recht van de erflater op de verzekeringsuitkering opeisbaar werd door en op het moment van de dood van erflater, is dat recht nog ‘ten tijde van het overlijden’ van erflater opeisbaar geworden.
Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het recht op de beleggingsuitkeringen door erflater bij testament is gelegateerd. Dit betekent dat Y als executeur testamentair, die uitkeringsgelden ten onrechte niet heeft uitgekeerd aan de legatarissen. Voorts komt de vraag aan de orde of Y daarmee in de gegeven omstandigheden onrechtmatig heeft gehandeld.
Op grond van artikel 4:144 BW had Y - kort gezegd- de taak om de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen. De rechtbank is het met Y eens dat hem bij dat beheer enige ruimte toekomt om naar eigen inzicht te handelen. Maar die ruimte gaat niet zover dat de schulden – naar eigen inzicht - voldaan kunnen worden aan de verkeerde persoon, aangezien dat de essentie van de schuldvordering betreft.
Op bovenstaande gronden wordt geconcludeerd dat Y als executeur testamentair is tekort geschoten in de van hem te vergen zorg ten opzichte van de belangen van de legatarissen en dat die tekortkoming hem kan worden toegerekend. Daarom acht de rechtbank Y aansprakelijk voor de schade als gevolg daarvan geleden.
Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van de legatarissen wordt toegewezen en wordt Y veroordeeld om het bedrag van de verzekeringsuitkering van € 20.000 te betalen.
nr. 98791/LJN BJ5388
Ook Hof is van oordeel dat executeur zich schuldig maakte aan verduistering
In Notafax 2006, nr 246 maakten wij melding van een uitspraak waarin de Rechtbank een gevangenisstraf oplegde aan een executeur omdat hij zich onder meer had schuldig gemaakt aan verduistering van bijna € 230.000. Volgens de Rechtbank had de executeur zijn taak als executeur misbruikt voor zijn eigen verrijking door in korte tijd forse bedragen vanuit de nalatenschap naar eigen rekeningen van de executeur (en zijn familie) over te boeken en deze transacties op buitengewoon geraffineerde wijze te verdoezelen voor de erven.
In hoger beroep komt het Hof eveneens tot de conclusie dat de executeur zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering van gelden van de nalatenschap nu hij in strijd met zijn taak en bevoegdheden als executeur dan wel bewindvoerder als ‘heer en meester’ over deze gelden is gaan beschikken. Wat betreft de stelling van de executeur dat het slechts ging om geldleningen die de nalatenschap aan hem (en zijn familie) had verstrekt, oordeelt het Hof dat het uitlenen van geld met een hoog restitutierisico – hetgeen is gebleken toen de executeur het geld later moest terugstorten en dat slechts kon uit een nieuwe hypothecaire geldlening – niet behoort tot behoorlijk beheer van de boedel. Wel wordt de executeur door het Hof vrijgesproken van de tenlastegelegde verduistering van € 55.000 omdat volgens het Hof niet valt uit te sluiten dat een extra vergoeding voor de werkzaamheden van de executeur is toegezegd door de erflater. Strafrechtelijk bezien is hier onvoldoende bewijs.
Hof Den Haag 12 december 2008, nr 22-006036-06
(Bron Notafax 27 januari 2009 nr. 22)
