Nieuwsberichten
Sesam open U!?
Het opvragen van bankafschriften
Iedere estateplanner heeft zich wel eens de vraag gesteld of een erfgenaam ‘zomaar’ de bankafschriften van erflater kan opvragen. Een interessante kwestie.
Het oog van Estate Tip Review viel onlangs op een leerzame uitspraak in dezen en wel van de Rechtbank Almelo van 22 juni 2011, LJN: BQ9113.
De betreffende bank betrok de navolgende stelling:
‘De Rabobank stelt dat zij niet verplicht is om rekeninginformatie aan [eiser] te verstrekken over de periode vóór het overlijden van vader [X]. Voorts stelt de Rabobank dat het opvragen van rekeningafschriften een handeling is die valt onder artikel 3:170, lid 3 BW. Dit brengt mee dat alleen de erfgenamen gezamenlijk bevoegd zijn. Verstrekking van de gevraagde gegevens aan één van de erfgenamen zonder toestemming van de overige erfgenamen heeft de bank dan ook geweigerd.’ (Cursivering van SBS)
Wellicht realiseert men zich niet altijd dat ook de navolgende - tussen cliënt en bank overeengekomen - spelregels een belangrijke rol spelen bij een dergelijk vraagstuk:
‘Artikel 9 lid 3 van de door [eiser] aangehaalde algemene voorwaarden bepaalt: “Wij hoeven geen informatie te geven over wat er op de rekening is gebeurd voor uw overlijden.” Artikel 5 van de door de Rabobank aangehaalde algemene voorwaarden bepaalt: “(…) De bank behoeft aan rechtverkrijgende(n) van de rekeninghouder geen inlichtingen te verstrekken over het verloop van de rekening vóór de datum van overlijden van de rekeninghouder.”’ (Cursivering van SBS)
En wat vindt de Rechtbank hiervan?
‘Uit de geciteerde bepalingen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de Rabobank niet verplicht is om aan de erven […], waaronder [eiser], inlichtingen te verstrekken over het verloop van de bankrekeningen vanaf 31 december 2003 tot de datum van overlijden van vader [X]. De Rabobank heeft aangegeven daartoe evenwel bereid te zijn onder het stellen van een aantal voorwaarden, waaronder een door de gezamenlijke erfgenamen ondertekende verklaring waarin toestemming wordt gegeven om de door [eiser] gevraagde informatie aan hem te verstrekken. De voorwaarde tot het verlenen van toestemming door de overige erfgenamen is volgens de Rabobank ingegeven door het feit dat de erven verdeeld zijn en de Rabobank mogelijke claims van de overige erven voorziet als zonder meer aan het verlangen van [eiser] wordt voldaan.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de Rabobank onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid aan het verstrekken van informatie een voorwaarde als de onderhavige verbinden. Dat één of meer mede-erfgenamen niet aan de gestelde voorwaarden wensen te voldoen, is een omstandigheid in de risicosfeer van [eiser] ligt en niet in die van de Rabobank. Een verplichting om medewerking te verlenen aan het verstrekken van een overzicht van bankafschriften is er immers niet, terwijl evenmin gesteld of gebleken is dat de gestelde voorwaarden zo onredelijk zijn dat [eiser] en zijn mede-erfgenamen daaraan in redelijkheid niet kunnen worden gehouden. Voorts bepaalt artikel 3:170, lid 3 BW dat voor handelingen als het opvragen van een overzicht, alleen de erfgenamen gezamenlijk bevoegd zijn zodat ook om die reden de toestemming van de overige erfgenamen niet zonder reden is.’ (Cursivering van SBS)
En voor het overige (de bankafschriften over de periode na overlijden) liep het met een sisser af.
‘Voor wat betreft de gevraagde verklaring voor recht die ziet op het verstrekken van een overzicht van bankafschriften vanaf de datum van overlijden, overweegt de rechtbank het volgende. Nu [eiser] zelf ter zitting bankafschriften heeft overgelegd van de betaalrekening met betrekking tot de periode van 30 december 2005 t/m 23 januari 2006 heeft hij - voor zover het die periode betreft - geen belang meer bij zijn vordering.’ (Cursivering van SBS)
Kortom, de toverspreuk ‘Sesam open U’ werkt derhalve niet altijd even onverkort na een overlijden. Blijkbaar kan men bij het opvragen van bankafschriften niet om het belangrijke ‘samen uit, samen thuis’- artikel 3:170 lid 3 BW heen.
Bron: Estate Tip, afl. 2012-06, Boom Juridische Uitgevers / ScholsBurgerhartSchols
Erfgenaamschap, schuldsanering en de ‘schone lei’
Is volledige betaling voldoende?
In Nederland wordt jaarlijks een fors en toenemend aantal schuldsaneringen uitgesproken. Het kan dan ook geen kwaad om oog te hebben voor de positie van de saniet die een erfrechtelijk voordeel geniet. Zo bleek ook uit een uitspraak van Hof Den Bosch.
Voor een goed begrip van de casus verkort enkele uitgangspunten van de schuldsaneringsregeling. De ‘saneringsboedel’ omvat de goederen van de schuldenaar ten tijde van de uitspraak waarbij de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard. Uiteraard vallen ook de goederen die verkregen worden tijdens de saneringsperiode in de boedel (art. 295 lid 1 Fw). Zodra de schuldsanering ingaat, is de saniet-schuldenaar geen rente meer verschuldigd over de vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt. Zij het dat de renteverplichting onder omstandigheden met terugwerkende kracht kan herleven (art. 303 lid 1 en 2 Fw). Artikel 358 lid 1 Fw vormt de kernbepaling van de schuldsaneringsregeling: de schone lei.
Na, in beginsel, drie jaar op het minimumbestaansniveau te hebben geleefd, wordt de saniet beloond. De vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt en voor zover nog niet voldaan, zijn niet langer afdwingbaar (art. 354a Fw, 356 lid 2 Fw en 358 Fw). Vereist is wel dat de rechtbank constateert dat de saniet niet tekort is geschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen (art. 354 lid 1 Fw).
In de zaak die speelde voor het hof was de saniet vanaf april 2009 zijn verplichtingen voortvloeiende uit de schuldsaneringsregeling niet (meer) nagekomen. De aanleiding voor dit verzaken was dat hij verwachtte dat de erfenis van zijn in 2008 overleden vader voldoende zou zijn om alle schuldvorderingen te voldoen. Een verwachting die gedeeld werd door de bewindvoerder. Kortom, de saniet meende dat nu (nagenoeg) vaststond dat alle schuldeisers volledig zouden kunnen worden voldaan, hij niet langer gehouden was om andere of nadere verplichtingen uit hoofde van de schuldsanering na te komen.
De rechtbank en de bewindvoerder waren een andere mening toegedaan. Ondanks dat de erfenis inderdaad van voldoende omvang bleek om alle saneringsschuldeisers te voldoen, werd de schone lei onthouden. Het gevolg was, onder meer, dat de saniet alsnog de wettelijke rente over zijn schulden verschuldigd werd; een nadeel van een paar duizend euro.
Ook in hoger beroep vangt de saniet bot. De uitspraak maakt duidelijk dat nalatenschapsafwikkelaars en hun adviseurs er verstandig aan doen om in voorkomende gevallen een erfgenaam-saniet op het hart te drukken de saneringsvoorwaarden strikt na te leven. Een schone lei krijg je niet zomaar, je moet er meer voor doen dan het (louter) volledig betalen van alle schuldeisers.
Overigens, proactief handelen zou in deze casus wellicht een – voor de saniet – beter resultaat hebben opgeleverd. Aan te nemen valt dat de erflater op hoogte was van de penibele financiële situatie van zijn zoon. De instelling van een testamentair bewind als bedoeld in artikel 4:153 e.v. BW zou de erfenis buiten de saneringsboedel hebben gehouden. Immers, artikel 4:175 lid 1 BW leert dat de onder het bewind staande goederen tijdens het bewind slechts beperkt uitwinbaar zijn; en in ieder geval niet voor de schulden van de erfgenaam-saniet die zijn ontstaan vóór de aanvang van het bewind. Vereist is wel dat het bewind is ingesteld in het belang van de erfgenaam. Voor zover die strekking niet met zoveel woorden uit de instelling van het bewind blijkt, biedt het vermoeden van artikel 4:155 lid 1 BW soelaas.
Prettige bijkomstigheid is dat de standaard saneringstermijn van drie jaar (art. 349a lid 1 Fw) redelijk ‘in de pas loopt’ met de vijf jaar die verstreken moeten zijn vooraleer een rechthebbende opheffing van het bewind kan verzoeken (art. 4:178 lid 2 BW). In die zin hoeft de erfgenaam-saniet na het einde van de sanering niet (lang) meer last te hebben van het bewind. De saniet geniet dan, in de woorden van het hof dus wel de lusten, maar niet de lasten. Weliswaar pas op termijn, maar daar staat tegenover dat een ‘schuldsaneringssanctie’ lijkt te ontbreken.
Bron: Mr. F.M.H. Hoens, Estate Tip, afl. 2012-5
Volgens staatssecretaris bestaat er soepel beleid inzake betaling erfbelasting
Onlangs zijn vanuit de Tweede Kamer enkele vragen gesteld aan de staatssecretaris van Financiën waarin onder meer wordt aangegeven dat het ongewenst is dat erfgenamen een nalatenschap zouden moeten verwerpen omdat zij de verschuldigde erfbelasting niet op tijd zouden kunnen betalen omdat bijvoorbeeld een nagelaten woning niet tijdig is verkocht.
Thans heeft de staatssecretaris geantwoord dat het veronderstelde probleem niet bestaat. Het beleid van de Belastingdienst is dat voor aanslagen onder € 50.000 waarbij niet kan worden betaald in verband met de tijdelijke onverkoopbaarheid van de woning zonder meer uitstel van betaling wordt verleend gedurende een jaar. Is het aanslagbedrag hoger of de termijn waarvoor uitstel wordt gevraagd langer, dan wordt zekerheid gevraagd in de vorm van een hypotheek op de betreffende woning. In de regel is hierover weinig tot geen discussie.
Bron: Ministerie van Financiën 25 januari 2012, nr DGB/2011/7844 U
Eerste Kamer akkoord met Belastingplan 2012 en aanverwante voorstellen
In navolging van de Tweede Kamer heeft de Eerste Kamer op 20 december 2012 ingestemd met het Belastingplan 2012 (33003), het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2012 (33004) en de Geefwet (33006). Onderstaand volgt een korte selectie van een deel van de maatregelen die met ingang van 1 januari 2012 in de wet zullen staan.
- uitbreiding defiscalisering tussen langstlevende partner en kinderen;
- een executeur wordt verplicht om de aangifte erfbelasting in te dienen;
- beperking aansprakelijkheid executeur voor erfbelasting indien hem geen blaam treft;
- SW-vrijstellingen 2012 gelijk aan 2011; SW-tariefschijf per 1 januari 2012 € 3.000 lager;
- voor schenk- en erfbelasting over woningen kan men kiezen voor actuelere WOZ-waarde.
Goedkeuring erfbelasting 2010 en 2011: géén WOZ-waarde voor serviceflats
Sinds 1 januari 2010 worden woningen voor de schenk- en erfbelasting in aanmerking genomen naar de WOZ-waarde (artikel 21 lid 5 SW). Volgens de staatssecretaris van Financiën is bij de invoering van deze maatregel er geen rekening mee gehouden dat bij serviceflats de waarde in het economische verkeer vaak substantieel lager is dan de WOZ-waarde. Dit verschil komt voort uit het feit dat bij een serviceflat de verplichting bestaat bepaalde voorzieningen af te nemen. De Waarderingskamer heeft de gemeenten in 2011 bericht bij de waardering van serviceflats rekening te houden met het waardedrukkende effect van het specifieke imago van serviceflats en de beperkte kring van gegadigden conform de uitspraak van Hof Amsterdam 9 september 2010, nr P09/00219 (LJN BN7115) en die van Hof Arnhem 9 november 2010, nr 10/00138 (LJN BO6168). Deze waardering zal tot uitdrukking komen bij de WOZ-waarde voor het jaar 2012. Voor de erfbelasting vindt de staatssecretaris het ongewenst dat serviceflats voor 2010 en 2011 worden belast tegen de WOZ-waarde. Daarom keurt hij met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2010 voor de erfbelasting goed dat artikel 21 lid 5 SW buiten toepassing blijft voor serviceflats. De waarde van een serviceflat is daardoor op grond van artikel 21 lid 1 SW de waarde in het economische verkeer op het moment van overlijden van de erflater. De goedkeuring geldt voor de vaststelling van de erfbelasting over overlijdens in de jaren 2010 en 2011.
Bron: Notamail 20 december 2011
Antwoorden op vragen van de Eerste Kamer over het Belastingplan 2012 c.a.
De Eerste Kamer heeft afgelopen week diverse vragen aan de regering gesteld over het Belastingplan 2012, de Geefwet en het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2012. Thans heeft de regering hierop gereageerd.
De keuze voor actuelere WOZ-waarde in SW geldt niet voor verkrijgingen van vóór 2012
Met ingang van 1 januari 2012 wordt artikel 21 lid 5 SW zodanig gewijzigd dat de verkrijger van een woning de mogelijkheid heeft om te kiezen voor een WOZ-waarde waarvan de peildatum dichter is gelegen bij het moment van de verkrijging. Volgens de regering geldt deze keuzemogelijkheid niet als de woning vóór 2012 is verkregen.
Voor defiscalisering behoeft een vooroverleden kind niet te zijn benoemd tot erfgenaam
Op grond van artikel 5.4 lid 5 letter a Wet IB 2001 kan defiscalisering ook gelden tussen de langstlevende ouder en een kleinkind mits dit kleinkind bij plaatsvervulling tot de nalatenschap van zijn grootouder is geroepen. Volgens de wettekst is defiscalisering niet aan de orde als een kleinkind rechtstreeks door de eerststervende grootouder tot erfgenaam is benoemd. De regering maakt hierop evenwel een uitzondering als een grootouder een langstlevendetestament wil opstellen terwijl op het moment van testeren een kind van de testateur reeds is overleden. Als dit vooroverleden kind ook kinderen heeft en de grootouder deze kleinkinderen in zijn nalatenschap wil betrekken, is defiscalisering volgens de regering wel aan de orde als de kleinkinderen in plaats van het kind rechtstreeks tot erfgenamen zijn benoemd. De regering had deze toezegging al gedaan aan de Tweede Kamer (zie TK 33003, nr 29).
Artikel 23 Wna vormt voor notaris geen beletsel om executeur te zijn in een nalatenschap
Met ingang van 1 januari 2012 is een executeur in alle gevallen verplicht om een aangifte erfbelasting in te dienen. Omdat een executeur op grond van artikel 47 Invorderingswet hoofdelijk aansprakelijk kan zijn voor de verschuldigde erfbelasting, is de vraag gesteld of artikel 23 Wna mogelijk een belemmering vormt voor een notaris om executeur te zijn. Immers, volgens artikel 23 Wna is het een notaris onder meer verboden om zich borg te stellen of anderszins in te staan voor schulden van anderen. Het kabinet is van mening dat artikel 23 Wna niet geldt voor belastingen waarvoor de notaris aansprakelijk gesteld kan worden zodat dit voor de notaris geen reden is om een executeursbenoeming te weigeren.
Aangifteplicht erfbelasting geldt voor eenieder die volgens testament de boedel afwikkelt
Volgens het kabinet is een begrafenisexecuteur in beginsel niet verplicht om de aangifte erfbelasting in te dienen, ook niet als hij op grond van een volmacht van de erfgenamen tevens de nalatenschap afwikkelt. Indien de begrafenisexecuteur echter in het testament ook is aangewezen om de nalatenschap af te wikkelen, handelt hij als executeur in de zin van artikel 72 SW en is hij wel gehouden om de aangifte erfbelasting in te dienen. De naam waaronder de executeur zijn werkzaamheden verricht, is volgens het kabinet niet van belang. EK 33003, nr D
Bron: Notamail 6 december 2011
Nieuwe antwoorden op Kamervragen over artikel 10 SW bij ouder-kindtransacties
Het aangekondigde overgangsrecht inzake de resolutie uit 1964 heeft terugwerkende kracht
Zoals al was aangekondigd, zal de staatssecretaris alsnog overgangsrecht treffen voor de ouder-kindtransacties die vóór 1 januari 2010 zijn ontstaan. Op grond hiervan mogen de kinderen bij het overlijden van (een van) hun ouders uitgaan van de waarde van de woning ten tijde van de rechtshandeling waarbij de woning is overgedragen (het uitgangspunt van de resolutie van 30 november 1964, BNB 1965/96), vermeerderd met de waardestijging van 1 januari 2010 tot aan de overlijdensdatum. Hierdoor wordt een waardestijging tussen het moment van de rechtshandeling en 1 januari 2010 niet meegenomen voor artikel 10 SW. Thans geeft de staatssecretaris aan dat het overgangsrecht terugwerkende kracht zal hebben en geldt voor alle nalatenschappen die zijn opengevallen sinds 1 januari 2010. Indien een aanslag erfbelasting al onherroepelijk vaststaat, kan deze op verzoek ambtshalve worden verminderd. Verder geeft de staatssecretaris aan dat het overgangsrecht ook zal gelden voor panden die vóór 1 januari 2010 gesplitst zijn aangekocht en thans onder artikel 10 SW vallen.
Bron: Notamail 16 november 2011
Kabinet heeft geen bezwaar tegen beperking aansprakelijkheid van executeur voor erfbelasting
Vanaf 1 januari 2012 zijn executeurs altijd verplicht om de aangifte erfbelasting in te dienen. Volgens het huidige artikel 47 Invorderingswet is een executeur die de SW-aangifte indient, hoofdelijk aansprakelijk voor alle erfbelasting die ter zake van het overlijden is verschuldigd. Vanuit de Tweede Kamer is een amendement ingediend waarin wordt voorgesteld artikel 47 Invorderingswet zodanig te wijzigen dat de aansprakelijkheid van de executeur niet geldt voor zover hij aannemelijk maakt dat het niet zijn schuld is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig erfbelasting is geheven (TK 33004, nr 9). Het kabinet heeft aangegeven geen bezwaren te hebben tegen deze beperking van de aansprakelijkheid.
Bron: Notamail 9 november 2011
Successiewet: het niet-indexeren van cijfers voor 2012 thans onderdeel van wetsvoorstel
Het Belastingplan 2012 is nu zodanig gewijzigd dat de huidige tariefschijf en de vrijstellingen van de SW op 1 januari 2012 niet worden geïndexeerd. Dit was al aangekondigd in de antwoorden op vragen inzake artikel 10 SW.
Bron: Notamail 9 november 2011
Reactie op vragen van de Tweede Kamer over het Belastingplan 2012 c.a.
Executeur is ook aansprakelijk voor de erfbelasting over goederen die voor hem zijn verzwegen
Met ingang van 1 januari 2012 is een executeur altijd verplicht om de aangifte erfbelasting in te dienen. Op grond van artikel 47 Invorderingswet is de executeur hoofdelijk aansprakelijk voor alle erfbelasting die ter zake van het overlijden is verschuldigd. Volgens de regering geldt deze aansprakelijkheid ook voor de erfbelasting die is verschuldigd over goederen die onbewust niet zijn opgenomen in de aangifte. Wel merkt de regering op dat een executeur pas aansprakelijk wordt gesteld als de erfgenamen in gebreke zijn met de betaling van de verschuldigde erfbelasting.
De verplichting om de aangifte erfbelasting in te dienen geldt niet voor de begrafenisexecuteur
Volgens de regering geldt de verplichting om de aangifte erfbelasting in te dienen voor de persoon die belast is met de uitvoering van het testament. De begrafenisexecuteur valt hier volgens het kabinet niet onder zodat deze niet gehouden is om de SW-aangifte in te dienen. De aangifte kan men laten verzorgen door een ander, maar de executeur moet deze indienen De regering stelt dat een executeur de SW-aangifte kan laten verzorgen door een ander, maar dat de executeur verplicht is de aangifte zelf te ondertekenen en daarmee zelf de aangifte te doen. Aan de mogelijkheid van aansprakelijkheid doet het een en ander dus niet af.
Onbeperkte navordering van erfbelasting over buitenlands bezit heeft terugwerkende kracht
Vorig jaar heeft de Tweede Kamer ter bestrijding van de zogeheten Edelweissroute ook een amendement aangenomen op grond waarvan een erfgenaam verplicht is om alsnog een juiste en volledige aangifte erfbelasting te doen zodra hij verneemt dat niet op de juiste wijze aangifte is gedaan van vermogensbestanddelen die in het buitenland worden gehouden of zijn opgekomen. Daarnaast wordt voor dit buitenlandse vermogen de navorderingstermijn onbeperkt in plaats van thans 12 jaar (zie artikel 16 lid 4 AWR). Volgens het amendement treedt deze maatregel weliswaar in werking op 1 januari 2012 (zie TK 32505, nr 27), maar geldt deze tevens voor nalatenschappen die reeds vóór 1 januari 2012 zijn opengevallen.
Belastingteruggave voor overledene zal straks niet worden overgemaakt naar derdenrekening
Verder is voorgesteld dat teruggaaf van inkomstenbelasting met ingang van een nog nader te bepalen tijdstip alleen nog zal plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van de belastingplichtige. Ondanks de suggestie van de EPN vindt het kabinet dat een teruggaaf van belasting voor een overledene niet kan worden overgeboekt naar een derdengeldenrekening van een notaris. De bankrekening van de overledene moet derhalve worden aangehouden.
Bron: Notamail 27 oktober 2011
Inning van erfbelasting bij een negatieve nalatenschap die fiscaal positief is?
Een notaris is betrokken bij de afwikkeling van een negatieve nalatenschap. Voor de heffing van erfbelasting is de nalatenschap evenwel positief op grond van artikel 21 lid 5 SW omdat de WOZ-waarde van de woning die tot de nalatenschap behoorde aanzienlijk hoger is dan de werkelijke waarde van het huis volgens een taxatie van een makelaar. Naar aanleiding hiervan heeft de notaris een brief gestuurd naar het specialistenteam van de Belastingdienst met de vraag of de verschuldigde erfbelasting op het privé-vermogen van de erfgenamen kan worden verhaald indien zij de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard. Thans heeft de notaris een antwoord ontvangen. Notamail citeert de relevante passage uit de brief:
“Wel wil ik opmerken dat er voor de erfbelasting een aanslag wordt opgelegd rekening houdend met de “fiscale positieve nalatenschap”. Het is dan vervolgens aan de ontvanger om een beslissing te nemen over de verhaalbaarheid van de schuld indien er beneficiair is aanvaard. Dan zal ook de discussie moeten worden opgestart over de waarde economisch verkeer van de woning/nalatenschap. Indien door u overtuigend kan worden aangetoond dat de “civiele nalatenschap” negatief is, zal met inachtneming van de bepalingen in Boek 4 BW de belastingschuld niet op het privé vermogen van de erfgenamen verhaald kunnen worden.”
Belastingdienst/Rijnmond/kantoor Rotterdam 18 oktober 2011, nr C2011/427
Bron: Notamail 24 oktober 2011
Overheveling definitie van algemeen nut beogende instelling van Wet IB 2001 naar AWR
Voorgesteld wordt om met ingang van 1 januari 2012 in artikel 5b AWR de definitie van een ANBI op te nemen omdat deze in meerdere belastingwetten wordt gebruikt. Daarbij worden tevens de volgende doelen opgesomd die kwalificeren als algemeen nut:
- welzijn; - cultuur; - onderwijs, wetenschap en onderzoek; - bescherming van natuur en milieu; - jeugd- en ouderenzorg; - gezondheidszorg; - ontwikkelingssamenwerking;
- dierenwelzijn; - religie, levensbeschouwing en spiritualiteit; - de bevordering van de democratische rechtsorde; - een combinatie van genoemde doelen en - het (financieel) ondersteunen van een ANBI. In de memorie van toelichting zijn deze begrippen verder uitgewerkt. Volgens de toelichting is met de nadere inkadering van het ANBI-begrip geen beleidswijziging beoogd. Instellingen die thans zijn aangemerkt als een ANBI behoeven dan ook niet opnieuw te worden gerangschikt. Opgemerkt wordt dat woningcorporaties volgens de regering niet als ANBI kwalificeren. Verder zal in een beleidsbesluit ruimhartiger worden omgegaan met commerciële activiteiten.
Bron: Notamail 21 september 2011
Hoogte van heffingsrente en invorderingsrente wordt gekoppeld aan de wettelijke rente
De regeling inzake heffingsrente (straks belastingrente) wordt op diverse punten gewijzigd.
Zo wordt onder meer voorgesteld om de hoogte van de belastingrente en invorderingsrente (thans 2,75%) te koppelen aan de wettelijke rente voor niet-handelstransacties (thans 4%). Voor de erfbelasting gaat dit in voor belastingschulden die na 31 december 2012 ontstaan.
Bron: Notamail 20 september 2011
Executeur vanaf 1 januari 2012 verplicht om de aangifte voor de erfbelasting in te dienen
Vorig jaar heeft de Tweede Kamer een amendement aangenomen op grond waarvan alle erfgenamen per 1 januari 2012 de aangifte erfbelasting moeten ondertekenen. Dit zou dan de Edelweissroute moeten tegenhouden. Thans is een andere oplossing bedacht. Met ingang van 1 januari 2012 is een executeur altijd verplicht (!) om de aangifte erfbelasting in te dienen. Het voorstel in het amendement van medeondertekening door de erfgenamen is van tafel.
Bron: Notamail 19 september 2011
